Vakantie in het Reestdal Liefdesgeschiedenis

Een liefdesgeschiedenis aan de Reest

Een ander in de `Drentsche Volksalmanak' van 1837 voorkomend verhaal, ondertekend met A.S., speelt in het laatst van de veertiende en het begin van de vijftiende eeuw. Het begint op een avond, waarop de stormwind vreselijk huilde door de eiken en beuken, die het klooster te Dikninge van verre omringden. Dat klooster stond aan de oever van de rivier de Reest, de grens tussen Overijssel en Drenthe.

De onstuimig voortgejaagde wolken werden opgelost in stuivende sneeuwvlokken, die de hele natuur als met een vlekkeloos kleed overdekten. De vrome kloosterzusters, die een gedeelte van het klooster (door dikke muren afgescheiden van de niet minder vrome monnikken ) bewoonden, hadden statig en droefgeestig de kindermoord van Bethlehem gevierd. Ze wijdden de lange, donkere winteravond verder aan stille overdenkingen en het opzeggen van gebeden.

Zij, wier gevoel en verbeeldingskracht het levendigst werkten, stelden zich die afgrijselijke kindermoord duidelijk voor. Ze hoorden de luide jammerkreten van de van hun kinderen beroofde moeders, wier boezems rood gekleurd waren met het bloed van hun doodgestoken zuigelingen. Ze zagen de doodsstuipen van de onnozele kleinen, die in de armen van de moeders vermoord werden en de armpjes vergeefs naar de machteloze vaders uitstrekten.

Ze zagen ook de bijna tweejarige kinderen, die, door het luid geschrei uit de sluimer gewekt, tegen de kindermoordenaars, wier dolken in hun oogjes blonken, lachten en het moordtuig voor glinsterend speelgoed hielden tot de scherpgewette punt de onschuldige hartjes door boorde. Menig traan blonk in de vriendelijke ogen van de nonnen toen ze zich dit afschuwelijk schouwspel voorstelden.

Plotseling werd er hevig aan de poort van de klooster geklopt. De portierster meldde even later, dat een pelgrim, die een van koude en honger huilend dochtertje op de arm droeg, om een schuilplaats en wat eten vroeg. De abdis gebood direkt de poort te openen, het kind binnen te brengen en de pelgrim naar de afdeling van de monnikken te verwijzen.

Dit bevel werd snel uitgevoerd. Het van koude bevende en verstijvende kind werd naar de abdis en de overige kloosterzusters gebracht. Het leek tussen de drie en vier jaar oud te zijn. De smeltende sneeuw droop uit de blonde krulletjes en door de traantjes, die langs de ijskoude wangetjes biggelden, glinsterden een paar vriendelijke tintelende oogjes, die om ontferming en hulp schenen te smeken.

Toen het door de nonnen werd gekoesterd en geliefkoosd kwam er al spoedig een rood blosje op het gezicht van het kind. Er verschenen lachjes om de mond en het probeerde door kusjes en liefkozingen zijn dankbaarheid uit te drukken.

Brief van een ongelukkige vader

De nonnen hoorden intussen niets van de pelgrim. De monnikken hadden hem huisvesting verleend. hem te eten gegeven en verpleegd. Maar de volgende morgen was hij vertrokken. na hen hartelijk bedankt en de mis bijgewoond te hebben. zonder nog naar zijn kind te vernemen. Maar enige dagen later bracht een eenvoudige boerenknaap een open stuk papier. dat voor de abdis was bestemd. In de brief stond het volgende: `Aan de godvruchtige zusters in het klooster te Dikninge, op de dag van Sint Silvester. Dat de Heilige Moeder van onze Heer u zegene. omdat ge u ontfermd hebt over een onnozel kind, dat ik tevergeefs met mijn adem en aan mijn borst probeerde te verwarmen. Want mijn adem stolde tot ijs en mijn hart weigerde bijna te kloppen.

Ik ben een ongelukkige vader. Meer mag ik u niet zeggen. Sint Franciscus. mijn patroon, zal u het goede, dat ge mijn kind aandoet, dubbel vergelden; daar bid ik zonder ophouden om. Dat het u allen wel ga is mijn wens.

Weest er van verzekerd, dat de kleine Margaretha geen kind is van een gauwdief of landloper, maar van een eerlijk man. Ridderlijk bloed vloeit door haar jeugdige aderen. En hiermee beveel ik u allen aan de Heilige Maagd. aan Sint Franciscus en Silvester. Leert toch het kind reeds vroeg een Onze Vader en twee Ave Maria's voor haar vader te bidden.'

De abdis borg het briefje zorgvuldig op. En de kleine Margaretha groeide voorspoedig in het klooster op. Zij was gehoorzaam, liefdevol en godvruchtig. Haar uiterlijke schoonheid was opvallend en — wat nog belangrijker was zij had een edel hart. Haar verstandelijke vermogens ontwikkelden zich op een bewonderenswaardige wijze als vanzelf.

De opvoeding van meisjes was in die tijd over het algemeen zeer gebrekkig, want men geloofde over het algemeen. dat het genoeg was hen het huishoudelijk werk te leren en zich tot werkzame huismoeders te laten ontwikkelen. En omdat dit laatste voor meisjes. die voor kloosterlingen bestemd waren, overbodig was, vond men het daar wel genoeg om met een rozenkrans of paternoster in de hand gebeden te leren opzeggen en wat handwerken bij te brengen. Op deze wijze moest de soms pijnigende verveling worden verdreven.

Maar de leergierige Margaretha had het voorrecht. door de uitmuntende abdis, die het zachtaardige kind als een dochter liefhad. voortreffelijk onderwezen te worden. De abdis was namelijk door haar vader. die graaf was en wiens huwelijk alleen met een dochter gezegend was. meer als jongen dan als meisje opgevoed. Daardoor had zij allerlei kundigheden opge­daan.

Maar deze brave vader stierf in de kracht van zijn leven, juist op de dag waarop zijn geliefde dochter met de man van haar keuze in het huwelijk zou treden. Daardoor werd de plechtigheid uitgesteld. En terwijl het diep in rouw gedompelde meisje nog dagelijks op het graf van haar vader huilde en elke morgen het kruis dat daar stond met een frisse lijkkrans versierde. werd haar aanstaande bruidegom, de jeugdridder Van Reinestein. verraderlijk om het leven gebracht.

Dat bracht de treurende bruid tot het besluit. afscheid van de wereld te nemen. Ze wilde een bruid van de hemel worden. Ze nam de sluier aan, werd hoog geprezen om haar godsvrucht en werd al spoedig tot abdis verheven.

Een voorjaarsavond

En deze abdis werd dus de moederlijke vriendin van Margaretha, het meisje van vrijwel onbekende afkomst. dat zeer begaafd bleek. Op haar twaalfde jaar kon ze de fraai geschreven en prachtig gekleurde gebedenboeken en kerkgezangen duidelijk lezen en naschrijven. Ver veling kende ze niet. Toen ze zestien jaar oud was maakte ze met haar tekenpen de fraaiste afbeeldingen. Ze probeerde zelfs een prachtig altaarstuk na te schilderen. In de vrouwelijke handwerken, waarmee men zich in het klooster bezighield. muntte ze uit.

Margaretha leefde dan ook het ene jaar na het andere gelukkig en in volle zielerust. Tussen de kloostermuren en in de fraaie omgeving, waarin de nonnen mochten wandelen, vond ze alles wat haar jonge hart begeerde. Maar de tijd kwam. waarin haar zielerust plotseling werd verstoord.

Op een prachtige voorjaarsavond wandelde Margaretha met haar liefste vriendin, de even oude Bertha. langs de belommerde oever van de Reest, waarvan het water uitliep in de gracht, die de gewijde grond, waarop het klooster gebouwd was, in een halve cirkel omsloot. De mooie natuur maakte diepe indruk op de beide meisjes. De laatste stralen van de zon kleurden de wolken aan de westkim met gloeiend goud. Purperen strepen liepen door de hemelsblauwe lucht. In de vallende duisternis werden heldere sterren zichtbaar. De volle maan wierp zijn zilveren glans over de schaduwrijke bosjes en de wiegende bloemstruiken.

Margaretha's hart gloeide van verrukking. Ze aanbad in stilte de Schepper van de natuur, die zij met kinderlijke eerbied als haar Vader in Christus eerbiedigde.

De beide meisjes gingen dicht bij de oever van de rivier in het malse gras zitten. Margaretha leunde met haar hoofd tegen de borst van haar vriendin en keek naar het heldere water, dat maan en sterren als een spiegel terugkaatste en wel een tweede sterrenhemel leek. Uit de verte klonk welluidend gezang, begeleid door muziek van een citer. De beide vrien­ dinnen luisterden. Het gezang kwam steeds dichterbij. Na een poosje hoorden ze de geregelde slag van roeispanen. Een kleine boot dobberde op de rivier.

Nu zagen ze dat een knappe jongeling de citer bespeelde. Een warm gevoel stroomde uit de klanken. De woorden van het lied doordrongen Margaretha 's ziel, vooral de vier regels, waarmee elk couplet eindigde. terwijl het bootje zachtjes voorbijdreef:

'Geen ware vreugd vloeit ooit voor 't hart, Dat 't eenzaam lijden moet verkroppen; Maar 't voelt zich zalig. zelfs in smart,

Als 't aan een vriendenborst mag kloppen. '

Verstoorde rust

De kleine boot voer in de heldere maneschijn enkele malen heen en weer, midden in de vrij brede rivier, want de zanger, wiens donkerbruine haren in het suizend avondkoeltje luchtig zwierden, eerbiedigde de gewijde oever. Hij genoot van het bekoorlijke uitzicht, dat hij hier had- hier, waar het maanlicht de donkere schaduwen verzilverde en de spelende verbeelding duizend vreemde gedaanten schiep.

Margaretha leek wel aan haar zitplaats vastgeklonken. Vergeefs probeerde haar vriendin haar te wijzen op al het bekoorlijke, dat hen omringde en vergeefs herinnerde zij haar er aan, dat het tijd werd om naar het klooster terug te keren. Margaretha leek wel bedwelmd en zelfs toen het bootje en de zanger verdwenen waren en ze aan de arm van haar vriendin voortliep, scheen ze nog helemaal opgetogen naar het gezang te luisteren. Het beeld van de jongeling stond levendig voor haar.

Vanaf het ogenblik waarop ze de edele Rudolf — zo was de naam van de ridderlijke citerspeler — had gezien en gehoord, veranderde Margaretha op zonderlinge wijze. Ze had niet langer de kalme tevredenheid, die haar tijdens alle bezigheden zo vreugdevol deed zijn. Steeds weer wierp ze treurige blikken op de hoge kloostermuren, waarbinnen ze zich eerst zo gelukkig had gevoeld. Een groot verlangen woelde in haar hart. Elke morgen, die aanbrak, deed haar al naar de avond verlangen.

Want dan ging ze, liefst helemaal alleen, naar het plekje, waar de rust van haar hart verstoord was. En niet zelden had ze het geluk, dat de zanger naderde en voorbijvoer. De boot begon zelfs steeds meer de gewijde grond te naderen en de zangen van de ridder drukten steeds duidelijker de taal van zijn hart uit. Dan trok het schuwe meisje zich weliswaar terug en verborg zich in een dicht berkebosje, maar daar bleef ze naar de liefdeszangen luisteren.

Rudolf had al vele keren om antwoord gebeden, maar Margaretha bewaarde lang een diep stilzwijgen. Alleen aan Bertha had ze haar gevoelens toevertrouwd. En dit meisje, even weinig van de wereld wetende en even weinig ondervinding hebbende, pleitte ijverig voor de onbe­kende minnaar.

`Zeg hem,' zo ried ze haar vriendin, `ook in een gezang — want je kunt immers ook mooie gedichten maken — dat zijn aandacht je goed doet, dat je hem graag mag zien en horen en dat z'n beeld in je hart gegrift staat. Dat zal hem verheugen en er steekt toch geen kwaad in?'

Een geest op het ijs

Gedurende de winter was het spelevaren op de Reest niet mogelijk. Het werd verhinderd door storm en koude regenvlagen. Toen de vorst inviel vroor de rivier dicht.

Margaretha leed diep. Smart knaagde aan haar anders zo bloeiende gezondheid. Ze ging nog dagelijks naar de oever van de rivier. Haar blik dwaalde over de ijsvlakte en in haar verbeel ­ding zag ze de onbekende jongeling in het kleine vaartuig de golven doorklieven. Op Sint Agnesdag was het mooi helder weer, maar wel erg koud. De vrouw van een boer, die op een aan het klooster toebehorende pachthoeve woonde en dagelijks de kloosterlingen melk en andere levensmiddelen bracht, kwam die dag met een merkwaardig verhaal. Het was bekend, dat ze sterk geloofde in geestverschijningen en spoken en ze was er altijd vol van. Wat ze vertelde werd door de kloosterzusters vaak huiverend aangehoord.

Ze zei, dat er de laatste dagen, tegen het vallen van de avond, een geest over de bevroren rivier zweefde. Misschien was het wel de geest van een ongelukkige, die zonder de sacramenten te hebben ontvangen, verdronken was. Hij was gekleed als en ridder, had een zwaard op de zijde en droeg een helm, waarop een verenbos wapperde. In haar fantasie voegde de vrouw er nog verschillende bijzonderheden aan toe: de ridder was driemaal zo lang als een gewoon mens, hij stapte van de ene oever van de rivier op de andere zonder het ijs aan te raken, zijn zwaard was een vuurvlam en zijn brandende ogen waren op het klooster gevestigd alsof hij daar het terugkeren van zijn verloren gegane rust wilde afsmeken.

Alle nonnen rilden van schrik bij deze beschrijving. Maar Margaretha dacht aan de onbe­ kende jongeling, naar wie ze met haar hele hart verlangde. Zou hij over het ijs zijn gegaan om haar op te zoeken? Aan een geestverschijning dacht ze niet, want ze was helemaal niet bijgelovig.

Met Bertha sprak ze over hetgeen ze vermoedde. Ze smeekte haar vriendin om tegen het vallen van de avond met haar uit het klooster te sluipen en naar de zogenaamde geest van de drenkeling te gaan kijken. Even dacht zij aan de mogelijkheid, dat haar geliefde verdronken was en nu als geestverschijning terugkeerde, maar ze verdrong deze gedachte onmiddellijk. Bertha had er niet veel zin in om haar vriendin te vergezellen. Maar bewogen door Margaretha's tranen stemde ze — hoewel de angst haar bij voorbaat al bekroop — toe.

De ontmoeting

Het lukte de beide meisjes, die avond door de portierster te worden uitgelaten. Met de rozenkrans aan de arm en steeds Onze Vaders en Ave Maria's biddend, vergezelde de bevende Bertha de heldhaftige minnares. De stilte van de schijnbaar levenloze natuur en de avond schemering maakten haar nog banger.

Maar Margaretha liep onbevangen door naar de oever. Ze had haar citer bij zich en haar van koude verstijfde vingers zweefden over de snaren. Met een zachte engelenstem zong ze:

`Wie, vreemdeling, zoekt ge op deze grond?

Zijt gij de schone lentezanger,

Die aan uw galmen mij verbond?

O kom dan, kom, vertoef niet langer!

Vertrouw uw grievend leed, uw smart,

Hier aan dit voor u kloppend hart.'

Toen hoorde ze voetstappen op het ijs. De jeugdige ridder — niet driemaal zo lang als een gewoon mens, niet met een vlammend zwaard en brandende ogen — kwam te voorschijn en waagde het, z'n voet op gewijde grond te zetten. Hij wierp zwaard en helm af en sloot de hem zacht afwerende Margaretha in de armen. Sprakeloos door zoete verrukking gaven zij beiden zich over aan de zaligste gewaarwordingen.

`Engel.' zei Rudolf eindelijk, `het leven zonder u vind ik verschrikkelijk. Meisje, je bemint me; ik hoor het uit je hart van deze rozenlippen vloeien. Je nodigt me uit om al m'n lijden aan je kloppend hart voor de hoogste menselijke zaligheid te ruilen.' Margaretha huilde, overstelpt door tedere aandoeningen. Snikkend zij ze: ‘Ja, ik heb u lief, méér dan ik de heiligen. die wij aanbidden, liefheb. Maar een non mag immers niet een man beminnen?'

Bertha. die er nu wel van overtuigd was, dat ze haar vriendin niet in de armen van de geest van een verdronkene, maar aan de borst van een springlevende, beeldschone jongeling zag, naderde de geliefden en riep: `Lieve Margaretha. wat doe je? Volgende week wordt je tot non ingewijd'-'

Een koude schrik rilde over de leden van Margaretha. Ze wrong zich zacht uit de armen van Rudolf, probeerde te ontvluchten, maar de jongeling hield haar tegen. `Jij ingewijd tot non?' zuchtte hij. `Neen. Margaretha, maak mij niet wanhopig. Ik zweer je, je kunt de sluier niet aannemen, want je hart is van mij. Tracht niet, de hemelse bruidegom te bedriegen. Meisje, ik zweer je, dat ik vuur in het klooster zal werpen en als het begint te vlammen zal ik je met geweld hier vandaan voeren!'

De naderende inwijding

Margaretha sidderde en viel aan de borst van haar vriendin in onmacht. Bertha smeekte Rudolf, zich te verwijderen. Hij werd daartoe ook wel gedwongen door het naderen van mensen. Nauwelijks was hij op de andere oever of de abdis en de biechtvader van de kloosterlingen, gevolgd door enkele nonnen, kwamen naar de meisjes toe.

Toen hij zag, dat Margaretha buiten bewustzijn was, zei de biechtvader: `Arm. onnozel kind! Ze heeft zeker die onzalige geest gezien, is het niet. Bertha?'

Deze antwoordde bevestigend. Margaretha kreeg, toen ze bij kennis kwam, van de abdis te horen, dat ze zeer roekeloos was geweest en werd in een cel gebracht. Daar werd zij liefderijk verpleegd. Maar ze was nog maar nauwelijks van de schrik bekomen of ze zei, dat ze opnieuw naar de verschijning wilde gaan kijken. Daarom werd ze zorgvuldig bewaakt.

Inmiddels kwam de voor haar zo vreselijke dag van de inwijding dichterbij. Vroeger had ze er met verlangen naar uitgezien en als de abdis toen aan haar wens had voldaan zou ze reeds een jaar eerder de sluier hebben aangenomen.

Daarom was het voor deze vrouw onbegrijpelijk, dat haar leerlinge de laatste tijd van het kloosterleven een afkeer had en weerzin leek te hebben in het afleggen van de gelofte. Geholpen door Bertha en de portierster zag Margaretha nog enkele malen kans, haar geliefde te ontmoeten. Elke keer smeekte Rudolf haar bij het afscheid, dat ze gehoor zou geven aan zijn vurige begeerte, haar uit het klooster te ontvoeren. Hij zou daarbij alle gevaren willen trotseren. Maar Margaretha sidderde bij de gedachte, welk een vreselijke straf haar geliefde zou treffen, als hij ontdekt mocht worden.

Over haar eigen lot bekommerde ze zich minder, hoe afgrijselijk dat ook zou zijn. Bertha had haar verteld wat er, toen ze zelf nog een kind was, was gebeurd met de ongelukkige zuster Francisca. Ook deze had in het geheim een minnaar gehad, maar toen dat ontdekt werd, was het meisje, in de bloei van haar leven, voor altijd in een onderaards gewelf opgesloten. Daar was ze van ontbering en verdriet gestorven. Margaretha schrok daar niet van. ‘Nee.’ Zei ze. ‘het gevangen nemen van mijn Rudolf zou ik niet overleven. Wrede mensen zouden mij geen langzame dood kunnen doen sterven, maar onder het verscheurend jammeren om de martelingen, die mijn vriend zouden worden aangedaan, zou ik bezwijken.'

De vlucht

Op de avond voor de dag van de inwijding bracht de vrouw van de pachtboer weer melk in het klooster. Ze had een eenvoudig stuk gebak voor de aanstaande heilige zuster meegebracht. Deze nam het dankbaar in ontvangst, maar voelde zich zwak en ziek door slapeloosheid en zielesmart.

Bertha bleef die nacht bij haar in haar cel. Toen ze het gebak openbrak vond ze daarin een beschreven strook perkament. Het was een brief van Rudolf.

Margaretha las gejaagd: 'Dierbare Margaretha, morgen vermoordt je door je gelofte hem, die je voor eeuwig bemint. Het ligt in jouw hand om hem te behouden en tot de gelukkigste mens ter wereld te maken. De portierster is op mijn hand; zij zal gelijktijdig met je vluchten.

Ik zal je buiten het klooster opwachten en over het ijs dragen. Aan de overkant van de rivier wachten bedienden met paarden op ons. Na enkele uren zullen we volkomen veilig zijn. Kies dus nu voor mij het zaligste leven of de ellendigste dood. Als de dag aanbreekt is het te laat.' Margaretha rees als werktuigelijk van haar bed op. Ze knielde nog eenmaal voor het kruisbeeld en vroeg daarna aan Bertha om haar alleen te laten. Wankelend liep ze naar de kloosterpoort. Daar nam de portierster haar bij de hand, opende de poort zo stil mogelijk en ging met haar naar buiten.

Een ogenblik later lag Margaretha aan de borst van haar ridder. Ze voelde niets van de koude nachtlucht. Zwijgend droeg Rudolf haar naar de overzijde van de rivier, zette haar op een gemakkelijk rijpaard en ondersteunde haar terwijl hij naast haar reed.

Daar de inwijding wegens de ziekte van Margaretha een dag was uitgesteld, werd haar vlucht en die van de portierster pas ontdekt toen zij al over de grens waren. Rudolf bracht zijn geliefde in Duitsland naar het kasteel van zijn vader, die al lange tijd van een bedevaart naar het heilig graf terug werd verwacht. Omdat hij wegbleef werd gevreesd dat hij gestorven was.

Huwelijksdag

De vlucht van Margaretha en de portierster bracht in het klooster grote opschudding teweeg. Er werden veel nasporingen gedaan, maar die leidden tot niets. Bertha werd meermalen streng verhoord. Ze werd dagenlang opgesloten en tot de strengste boetedoeningen veroordeeld. Ze onderging alles geduldig en bekende niets.

De goedhartige abdis verzachtte haar leed zoveel mogelijk. Deze verstandige vrouw begreep wel, dat er zich een liefdesgeschiedenis had afgespeeld, maar het bleef haar een raadsel op welke wijze. Inmiddels leefden Rudolf en Margaretha zeer gelukkig op het kasteel. Margaretha wilde met de voltrekking van het huwelijk wachten totdat Rudolfs vader er zijn zegen over kon uitspreken. De hoop dat hij zou terugkeren, zou immers niet mogen worden opgegeven zo lang zijn dood niet vaststond.

Maar weken en maanden gingen voorbij. Eindelijk meende men toch wel de zekerheid te hebben, dat de vader van Rudolf, nadat hij zijn bedevaart naar het heilig graf volbracht had, op één van de eilanden in de Middellandse Zee was gestrand en omgekomen. Een pelgrim had aan de voet van de Thabor dit verhaal van een van de schipbreukelingen gehoord.

Rudolf was diep bedroefd door dit bericht. Maar nu werd het inmiddels tijd om de dag van de huwelijksvoltrekking vast te stellen. Men koos hiervoor die van Maria 's hemelvaart. De blijde morgen brak aan. De bruidstooi verhoogde de natuurlijke bekoorlijkheden van Margaretha. Door de jeugd werden bloemen op de weg naar de kerk gestrooid en er waren prachtig versierde erebogen opgericht.

Juist toen het jonge paar op weg zou gaan klonk er, tot ieders verbazing. hoefgetrappel op het binnenplein. Een geharnaste ridder sprong van zijn arabisch paard en sloot de bruidegom in zijn armen. `Mijn zoon. mijn Rudolf!' riep hij uit, `de Heilige Maagd heeft mijn gebeden verhoord: ik zie u terug ! ' Met een luide vreugdekreet begroette de jongeman zijn vader, die hij dood gewaand had.

De voltrekking van het huwelijk werd een uur uitgesteld. Op de vraag van de oude graaf wat al die uiterlijke pracht en luidruchtige vreugde betekenden, gaf Rudolf snel antwoord en toen omhelsde de graaf ook de bruid en kuste haar op het voorhoofd.

`Zeg mij nu, mijn zoon.' vroeg hij daarna. `wie is de edele jonkvrouw, die je als je echtgenote gekozen hebt?'

Rudolf vertelde hoe Margaretha, toen ze vier jaar oud was, door een pelgrim aan de zusters van het klooster te Dikninge was gebracht. Reeds na enkele woorden verbleekte de oude man en een siddering ging door zijn leden. `Margaretha!' riep hij, `kom aan het hart van je vader. Ik moest je verlaten, dierbaar kind, maar vergeten, neen, dat kan geen vaderhart!'

Broer en zuster

Rudolf staarde zijn vader verbaasd aan. `Ben ik dan uw zoon niet?' vroeg hij wanhopig. `Maar geef ons toch uw zegen! De priester wacht om ons huwelijk te voltrekken.'

` Het kan niet!' zei de graaf. `Het zou een huwelijk zijn, waarop de vloek van de hemel rust. Jij bent mijn eigen zoon, evenals Margaretha mijn eigen dochter is!'

Die woorden stichtten plotseling grote verwarring. Ieder keek de graaf aan. Deze begon, diep geroerd, te vertellen. `Ik was schandelijk verleid en had mij in een samenzwering tegen de Duitse keizer laten betrekken. Ik werd vervolgd en zou een verschrikkelijke dood moeten sterven. Ik vluchtte van dit kasteel en mijn heerlijkheid Rutenberg. Jou, Rudolf, vertrouwde ik toe aan de bescherming van mijn enige broer. Voor mijn dochtertje wist ik geen betere schuilplaats dan het klooster: ik nam haar op mijn vlucht mee.

Ik voelde een knagend berouw over mijn misdrijf en besloot als pelgrim naar het heilig graf te reizen en daar, als het kon, mij met de hemel te verzoenen. Maar reeds aan het begin van mijn tocht leek de wraak van god mij te treffen. Ik werd door koude en gebrek geteisterd en vreesde, dat het kind in mijn armen zou sterven. Zo naderde ik Dikninge.

Mijn verstijfde hand kon nauwelijks aan het nonnenklooster aankloppen. De barmhartige zusters namen de dierbare last uit mijn armen en bij de niet minder dierbare monnikken herstelde ik snel. En zo kon ik mijn pelgrimstocht volbrengen. Ik keerde terug, maar leed schipbreuk.

Na veel omzwervingen vond ik een vriend; hij was een Maltheser ridder. Met hem vocht ik tegen de Turken en met het bloed van die eerlozen bespat landde ik op Malta. Ik werd in het ridderlijk genootschap opgenomen.'

Margaretha, die tijdens dit verhaal de hand van haar vader tegen haar kloppend hart en tegen haar lippen had gedrukt, viel nu de stomverbaasde Rudolf om de hals. `Mijn broer, mijn dierbare broer!' zei ze en drukte haar lippen op de zijne. `O noem mij nu ook uw zuster!' `Mijn uitverkoren bruid,' zuchtte Rudolf. `Ik zal u zuster noemen, maar hoe koud is die naam voor mijn van liefde gloeiend hart. '

`Rein is onze liefde,' zei Margaretha. Rein als de liefde van de engelen.' Ze barstte in snikken uit. `Kom, laten we knielen, mijn broer. Vader zal zijn kinderen zegenen en we blijven elkaar beminnen met een liefde, die het vlekkeloos oog van de Allerhoogste welgevallig is.'

De terugkeer

Graaf Rutenberg werd door de vorst in zijn eer hersteld. Het over hem uitgesproken vonnis was vernietigd. De zorg voor zijn teruggevonden dochter leek hem te verjongen. Rudolf voelde zich langzamerhand rustiger. Het leven met zijn geliefde vader en dierbare zuster maakte hem in zekere zin wel gelukkig, maar er bleef een pijnigende leegte in zijn hart over. Hij kon het vurige verlangen, dat Margaretha niet zijn zuster maar zijn vrouw zou zijn, niet onderdrukken. Zijn zwaarmoedigheid wekte het akelige denkbeeld in hem op, dat hij zijn zuster als zijn aanstaande echtgenote had bemind en hij meende daarvoor te moeten boeten. Hij hoopte zijn zielerust te vinden door Palestina en het heilig graf te bezoeken, zoals zijn vader had gedaan.

De graaf gaf zijn toestemming. Toen Rudolf vertrok maakte hij zich met diepe smart los uit de armen van de bitter schreiende Margaretha. Ze zag hem nooit terug, want na een jaar werd Rudolf door een dodelijke koorts overvallen en stierf te Jaffa in de armen van een kloosterbroeder.

De oude graaf overleefde zijn zoon niet lang. De liefde van zijn dochter verzachtte zijn lijden. Met stervende lippen zegende hij zijn kind. Terwijl zij luid snikte drukten haar zachte handen zijn ogen toe.

De eenzaam achtergebleven Margaretha nam voor altijd afscheid van de wereld. Ze ging terug naar het klooster, waarin zij eenmaal als kind een schuilplaats en ontferming had gevonden. Zij werd vol liefde door alle zusters ontvangen. Ze bezorgde het klooster ook een rijke gave door de kostbare bezittingen, die ze geërfd had. Slechts twee van de oudste nonnen waren sinds haar vlucht overleden. Haar geliefde Bertha omhelsde haar hartelijk en Margaretha vergoedde, zoveel als mogelijk was, alles wat haar vriendin om haar geleden had.

De abdis, die zwaar ziek was en voor wier leven men vreesde, herstelde toen ze door haar vroegere leerlinge werd verpleegd. Margaretha werd nu voor altijd aan het klooster verbonden. Met vreugde nam zij de sluier aan en deed haar gelofte.

Ze was een voorbeeld van godsvrucht en werkzame liefde. En toen enkele jaren later de abdis stierf, werd Margaretha van Rutenherg, die het klooster zo aanmerkelijk verrijkt had en door alle christelijke deugden uitmuntte, tot vreugde van alle kloosterlingen tot haar opvolgster benoemd.

Voor Margaretha lag een breed terrein voor weldoen open. Haar christelijke liefde ver spreidde over het anders zo droefgeestige kloosterleven de vervrolijkende glans van huiselijke gezelligheid. Ze stichtte vrede waar die verbroken werd, ze verbond allen door liefde en eendracht. Bedroefden vonden troost bij haar, lijdende harten schonk ze verzachting en wekte er blijde hoop in op.

Kortom, Margaretha was het schoonste sieraad van het klooster te Dikninge en haar nagedachtenis werd nog lang geëerd.

Bron: Pieter Terpstra

Volksverhalen uit vroegere eeuwen


1